Inspiratieweekend PThU op Terschelling

Op 7, 8 en 9 november 2014 ben ik namens onze gemeenten naar het inspiratieweekend ‘Schipbreuk lijden of de zeilen hijsen – Krimpende middelen, maar toch vitaal’ op Terschelling geweest.

Dit weekend was georganiseerd door de Protestantse Theologische Universiteit (PThU), vestiging Groningen.

Om direct met de deur in huis te vallen: mensen zijn ook ‘middelen’. Het gaat dus juist niet in eerste instantie om middelen als gebouwen en geld.

Direct op de boot van Harlingen naar Terschelling gingen we al aan de slag met een ontmoetingsronde. Iedereen had een symbool meegenomen aan de hand waarvan hij of zij zich kon voorstellen. Hiervoor had ik een waxine-lichtje meegenomen en een rood steentje uit mijn oprit in de vorm van een baksteen. De vraag die ik hierbij stelde was: “Wat is belangrijker? Dat wij als kerken het Licht brandende houden – en hoe maar vooral ook waarom? – of dat we (oneerbiedig gezegd) een ‘bult’ stenen in stand houden tot de laatste – letterlijk – het licht uitdoet?”. De mensen die ik sprak vonden eigenlijk altijd dat het eerste, het Licht brandende houden, het belangrijkst was. De vraag hoe en waarom we dat dan gestalte moesten geven was voor velen veel moeilijker. Gedachten hierover en de discussie of het gesprek hierover hoopte ik terug te vinden tijdens het inspiratieweekend.
Verspreid over de vrijdagavond en zaterdag zijn er verschillende workshops en presentaties gegeven. Onderstaand een verslag van een workshop en een presentatie.

De vloot van kerken – samenwerking

Deze workshop werd gegeven door ds. Heleen Maat uit Warffum en ds. Jan Hommes.
De centrale vraag in deze workshop was: “Waarom is het zo belangrijk voor de kerk om te blijven?”
Aan de hand van de casus vond er een workshop plaats waarbij de opdracht was: maak een plan van aanpak om zelfstandig te kunnen blijven.
De casus wil ik u niet onthouden, deze is namelijk herkenbaar:

Gemeente A heeft 200 kerkleden, een gemiddelde dienst krijgt 20 bezoekers. De kerkenraad bestaat uit de voorzitter (niet de predikant), een scriba en een kerkrentmeester. Pogingen om nieuwe kerkenraadsleden te krijgen, mislukken. De gemeente heeft een prachtig oud, maar gerestaureerd kerkgebouw, waar het hele dorp trots op is. Daarnaast heeft de kerk een flink vermogen: rond de half miljoen. De kerk bezit een pastorie, deze wordt verhuurd, en een begraafplaats. Meestal overlijden er meer mensen dan er bij komen; 75% van de leden is ouder dan 60.’

De casus is niet letterlijk terug te voeren op onze gemeenten maar er zitten wel elementen in die voor onze gemeenten ook gelden.
De reacties om mij heen waren verrassend. Men kon zich niet voorstellen dat een dergelijke gemeente zou kunnen bestaan. De casus werd meer als een ‘theoretisch bedenksel’ gezien. De antwoorden variërden van het ‘ontslaan’ van de predikant – waarbij ik de mensen om mij heen de vraag stelde of er überhaupt wel een predikant zou zijn – tot samenwerken en fuseren.

Vervolgens wordt het tweede gedeelte van de casus aan de zaal voorgelegd:
‘Buurgemeente B is een kleine gemeente, vergelijkbaar met A, maar sterk liturgisch, minstens zoveel vermogen (in geld) als A en een parttime-predikant. Buurgemeente C is een wat grotere gemeente met een full time predikant. Geen vermogen, wel mensen. Buurgemeente D is een stadsgemeente met meerdere predikanten.’

Hoe je de gemeenten zou kunnen laten samenwerken wordt op veel verschillende manieren gezien: Bijvoorbeeld A met B fuseren of A met C fuseren. In dat laatste geval zijn er volgens een deelnemer twee problemen opgelost: 1: er zijn weer mensen en 2: er is weer geld. Wat mij betreft in eerste instantie absoluut geen verkeerde vorm van pragmatisme.
Wat mij opviel aan deze workshop is dat er maar weinig, of geen, deelnemers waren uit gemeenten vergelijkbaar met onze gemeenten. Tweede opvallende punt was dat, op een uitzondering daargelaten, bijna niemand het punt aan de orde stelde waarom we überhaupt kerk zouden moeten zijn en hoe we dit in ons dagelijkse leven gestalte zouden kunnen geven. Veel mensen schieten, kennelijk van nature, direct in een modus van het opzetten van werkgroepen, overleggen en extra vergaderlagen zonder zich de vraag te stellen “Waar doen we het eigenlijk voor?”. Ik hoop in ieder geval dat de workshop stof tot nadenken gaf en geeft. De mensen die ik sprak tijdens de workshop heb ik verteld dat dergelijke gemeenten toch echt bestaan.

De cijfers van de kerk: krimpende middelen?

Marten van der Meulen, onderzoeker en docent bij de PThU, gaf een presentatie over de vraag hoeveel geld er nou beschikbaar is bij de kerken in Groningen, Friesland en Drenthe.

Het antwoord hierop was ontluisterend. In de drie noordelijke provincies hebben de (PKN) kerken 150 miljoen euro op de spaarrekeningen staan. Vrij opneembaar. Hieronder vallen geen bezittingen als gebouwen en land. Er ontstond in de zaal vooral een discussie over het feit dat de landelijke kerk bijna nooit toestemming geeft aan plaatselijke gemeenten om dit geld te investeren en het geld dus als het ware ‘vast zit’. Heel veel verder dan dit kwam de zaal niet. Mijn gedachten hierbij zijn: kun of moet je als gemeenten niet dienstbaar zijn aan elkaar? Bijvoorbeeld elkaar als gemeenten ondersteunen via een fonds? Hiermee bedoel ik niet een fonds als de Solidariteitskas (zie hiervoor pkn.nl/solidariteitskas) maar meer een eerlijke herverdeling van datgene wat de één kan missen en de ander nodig heeft. Kennelijk kijken veel gemeenten niet verder dan de eigen gemeentegrenzen. Aan de andere kant is er kennelijk ook geen landelijke kerk die gemeenten stimuleert om over de grenzen heen te kijken of slaagt zij daar in ieder geval niet in voldoende mate in.
Aan het begin van zijn presentatie stelde Marten van der Meulen de vraag: “Zinkt het schip of blijft het nog wel een tijdje drijven?”
Misschien is het wel zo dat als wij als kerken op de huidige voet doorgaan op verschillende plekken schepen zullen zinken of schipbreuk lijden met nog kisten vol dukaten aan boord.

Tijdens de afsluitende kerkdienst op zondagmorgen stond het begrip ‘palaver’ centraal. Een begrip uit de scheepvaart. Palaver heeft betrekking op het overleg dat onder andere gehouden wordt om de koers te bepalen. In de kerkdienst werd het palaver als een kort maar krachtig overleg gepresenteerd. Een overleg om te kijken of er nog op koers gevaren wordt en of eventueel de bakens verzet moeten worden.
Ga ik echter op internet op zoek naar de betekenis van palaver dan kom ik vaak een hele andere uitleg tegen, bijvoorbeeld: “..een langdurig overleg dat tot niets leidde..”.
Soms lijkt het er op dat we in de kerk met het laatste bezig zijn terwijl het toch echt beter lijkt te zijn de term palaver te gebruiken zoals in de kerkdienst werd gepresenteerd.
Laat dat onze opdracht zijn: Kort, maar krachtig, overleg over waarom we kerk willen zijn en vervolgens onze bakens uitzetten. In de palavers die volgen kunnen we het hebben over het hoe, wanneer en waarmee.

Martijn Hermse